Vleermuizen

Vleer­muizen zijn de enige zoogdieren die kun­nen vliegen. Een andere unieke eigen­schap is het gebruik van echolo­catie; vleer­muizen zen­den in de vlucht hele hoge, voor ons onhoor­bare tonen uit: aan de hand van de “echo’s” daar­van weten ze insecten op te sporen en te vangen.
De omgev­ing

Vleer­muizen zijn de enige zoogdieren die kun­nen vliegen. Een andere unieke eigen­schap is het gebruik van echolo­catie; vleer­muizen zen­den in de vlucht hele hoge, voor ons onhoor­bare tonen uit: aan de hand van de “echo’s” daar­van weten ze insecten op te sporen en te vangen. hebben lijn­vormige ele­menten nodig zoals bomen, hagen of gebouwen om zich m.b.v. echolo­catie te “oriën­teren”. In de omgev­ing van de Zwarten­hoekse zeesluis, kun­nen vleer­muizen de pop­ulieren­ri­jen, knotwilgen, wonin­gen en erf­be­plant­ing gebruiken om zich te “oriën­teren” en op zoek te gaan naar voedsel.

Samen

Vleer­muizen zijn hoogontwikkelde, sociale dieren die in groepen leven. De man­net­jes en vrouwt­jes leven in de zomer echter van elkaar gescheiden.

Vleer­muizen maken sociale gelu­iden om con­tact te houden met elkaar. Wan­neer ze samen jagen, kun­nen ze de fre­quen­tie van hun sonar aan­passen, zodat ze niet ver­ward raken door elka­ars geluid.

Zomer

Vanaf juni bren­gen vrouwt­jes hun jon­gen in kraamkolonies ter wereld. De grootte van zo’n kolonie hangt af van de geschik­theid van de omgev­ing en is bij elke soort anders. De meeste kolonies bestaan uit enkele tien­tallen vol­wassen dieren. Man­net­jes, onvol­wassen dieren en onbevruchte vrouwt­jes zoeken vaak alleen of in kleine groep­jes hun verbli­jf­plaats. Elke soort vleer­muis heeft een ander type verbli­jf­plaats in de zomer. Zo zit­ten grootoorvleer­muizen graag op zold­ers van kerken. Rosse vleer­muizen kruipen liever in een holle boom.

Win­ter

Als het kouder wordt, gaan vleer­muizen een verbli­jf­plaats voor de win­ter zoeken. De ene soort doet dat ver weg, de andere bli­jft in de buurt van het zomerverblijf. Een geschikte plaats om in win­ter­slaap te gaan is een vorstvrije, koele, vochtige plek. Bunkers, kelders, sluizen en duik­ers zijn prima geschikt. Ze hebben vol­doende spleten en holten om in weg te kruipen.

Con­t­role

Jaar­lijks zal de Zwarten­hoekse zeesluis door vri­jwilligers van de Zoogdier­w­erk­groep Zee­land wor­den gecon­troleerd op aan­wezigheid van over­win­terende vleer­muizen. De con­troles vin­den plaats in het kader van de jaar­lijkse mon­i­tor­ing van vleer­muizen in win­ter­verbli­jven en lev­eren een bij­drage aan het vast­stellen van voor– of achteruit­gang van soorten.

San­dra Dobbelaar

Zwarten­hoekse zeesluis

Een oude zeesluis als de Zwarten­hoekse zeesluis is geschikt als win­ter­verblijf voor vleer­muizen. Tij­dens de restau­ratie wor­den zelfs maa­trege­len getrof­fen om hun verblijf aan­ge­namer te maken. Een van de kok­ers wordt (op orig­inele) wijze afges­loten, zodat een tochtvrije ruimte ontstaat.

Soorten

De omgev­ing van de Zwarten­hoekse zeesluis, met het bosje, de erven en bomen­ri­jen, wor­den als jacht­biotoop gebruikt door de dwergvleer­muizen en laatvliegers.

In de zeesluis kun­nen soorten over­win­teren als water­vleer­muis, grootoorvleer­muis en baardvleermuis.